Elke woensdag geopend van 13:00 tot 16:00

Het gezinsleven

Jaren 50 - 60

Het gezinsleven in de jaren 60 in Nederland werd gekenmerkt door sterke traditionele normen

Maar ook door veranderingen die langzaam op gang kwamen. Hier volgt een uitgebreid overzicht van hoe het gezinsleven eruitzag in die periode, inclusief sociale structuren, rolpatronen, opvoeding, vrijetijdsbesteding en beginnende veranderingen.

Samenstelling van het gezin

In de jaren 60 bestond het standaardgezin meestal uit een vader, moeder en meerdere kinderen — het zogenoemde “kerngezin” of “traditioneel gezin”. Grote gezinnen waren nog vrij normaal, met vier of meer kinderen. Eenoudergezinnen kwamen veel minder voor dan nu en werden vaak als uitzonderlijk of problematisch beschouwd.

Rolverdeling: man versus vrouw

Vader:

  • Kostwinner: De man werkte buitenshuis en verdiende het geld.

  • Gezagsdrager: Hij werd gezien als het hoofd van het gezin.

  • Afwezig thuis: Door zijn rol als kostwinner had hij doorgaans een beperkte rol in de dagelijkse opvoeding.

Moeder:

  • Huismoeder: De meeste vrouwen stopten met werken zodra ze trouwden of kinderen kregen.

  • Zorg en huishouden: Ze was verantwoordelijk voor koken, schoonmaken, de kinderen en sociaal contact met buren.

  • Afhankelijkheid: Financieel en sociaal was ze vaak volledig afhankelijk van haar man.

Deze rolverdeling was gebaseerd op het idee van de “natuurlijke” mannelijke en vrouwelijke taken, versterkt door religie en cultuur.

Opvoeding en gezag
  • Autoritair: Ouders (vooral vaders) oefenden stevig gezag uit. Kinderen moesten gehoorzamen en respect tonen.

  • Discipline: Straf, zoals strafregels schrijven of tijdelijk geen buitenspelen, werd als normaal beschouwd. Lijfstraffen kwamen ook nog voor.

  • Onderwijsgericht: Er kwam steeds meer nadruk op scholing en kansen, vooral bij jongens.

  • Godsdienstig: Veel opvoeding was doordrenkt van religie. Katholieke en protestantse gezinnen leefden vaak in verzuilde kringen.

Dagelijks leven en vrijetijdsbesteding

Voor ouders:

  • Moeder: Bezig met huishouden, koffie drinken met buurvrouwen, kerkactiviteiten.

  • Vader: Werk, kranten lezen, voetbal kijken, lid van een vakbond of kerkvereniging.

Voor kinderen:

  • Spelen buiten: Straatspelen zoals touwtje springen, knikkeren, verstoppertje.

  • School: Strak regime met duidelijke normen en straffen.

  • Weinig luxe: Eén televisie per gezin (als die er al was), geen mobieltjes of computers.

Technologie en media
  • Televisie: In opkomst. Eind jaren 50 en begin jaren 60 begon de televisie populair te worden. Programma’s als Swiebertje en het Polygoon-journaal waren geliefd.

  • Radio: Was nog erg belangrijk voor muziek en nieuws.

  • Geen internet of digitale media: Brieven, ansichtkaarten en telefoons met draaischijf waren normaal.

Veranderingen die op gang kwamen

Hoewel de jaren 60 grotendeels nog traditioneel waren, kwam er langzaam verandering:

  1. Vrouwenemancipatie: Steeds meer vrouwen wilden werken en onderwijs volgen.

  2. Seksuele revolutie: Begin van openlijker praten over seksualiteit; pil werd in 1962 beschikbaar voor getrouwde vrouwen.

  3. Jeugdcultuur: Jongeren begonnen zich af te zetten tegen de autoriteit van ouders en kerk (denk aan nozems, hippies, provo’s).

  4. Verzuiling begon af te brokkelen: Mensen gingen zich losmaken van vaste geloofsstructuren.

  5. Woningnood en verstedelijking: Veel gezinnen woonden klein, maar er kwam woningbouw op gang (denk aan de wederopbouwwijken).

Voorbeeld: een dag in een doorsnee gezin
  • Ochtend: Vader vertrekt naar zijn werk, moeder maakt de kinderen klaar voor school.

  • Overdag: Moeder doet het huishouden, kinderen zitten op school, vader werkt.

  • Avondeten: Altijd samen aan tafel, vaste eetmomenten, vaak aardappels-groente-vlees.

  • Avond: Kinderen naar bed op vaste tijd, ouders lezen of luisteren radio, of kijken tv als ze die hadden.

Conclusie

Het gezinsleven in de jaren 60 was duidelijk gestructureerd en hiërarchisch. Traditionele rollen en waarden overheersten, maar tegelijkertijd waren de kiemen van verandering zichtbaar. De samenleving stond op de drempel van modernisering, die zich in de jaren 70 in volle kracht zou ontvouwen.

Geloof in het gezinsleven van de jaren 60

In de jaren 60 speelde religie een centrale rol in het dagelijks leven van veel Nederlandse gezinnen. Nederland was sterk verzuild, wat betekende dat mensen leefden binnen hun eigen levensbeschouwelijke zuil: katholiek, protestants, socialistisch of liberaal. Deze verzuiling beïnvloedde niet alleen het geloof zelf, maar ook waar je naar school ging, lid van welke sportclub je was, welke krant je las en zelfs met wie je trouwde.

Verzuild leven
  • Katholieke zuil: Eigen scholen (bijv. Rooms-Katholieke basisscholen), katholieke sportclubs, vakbonden (zoals de KAB), en katholieke kranten (zoals De Volkskrant).

  • Protestantse zuil: Verzuiling ook hier sterk, met eigen kerken (bijv. Hervormd of Gereformeerd), scholen, jeugdverenigingen (zoals de JV of GJV).

  • Socialistische en liberale zuilen: Minder religieus, maar wel met eigen instituties en kranten (zoals Het Vrije Volk of Het Parool).

Iedereen leefde dus grotendeels binnen zijn zuil. Kruisbestuiving was ongebruikelijk, en “gemengde huwelijken” (bijv. katholiek met protestant) waren vaak problematisch of zelfs taboe.

Religieuze rituelen en gewoonten

In katholieke gezinnen:

  • Kerkbezoek: Zondag verplicht naar de mis.

  • Sacramenten: Eerste communie, vormsel, huwelijk in de kerk.

  • Heiligenverering: Beeldjes van Maria en andere heiligen thuis.

  • Biecht: Regelmatig biechten in de kerk.

In protestantse gezinnen:

  • Zondagsrust: Geen werk of vertier op zondag, kerkgang is verplicht.

  • Bijbellezing: Dagelijks samen de Bijbel lezen, vaak na het eten.

  • Gebed: Dank- en smeekgebed voor en na elke maaltijd.

  • Zondagschool: Kinderen kregen bijbelonderwijs naast school.

Geloof en opvoeding
  • Godvrezend opgevoed: Kinderen leerden dat God alles zag, wat leidde tot gehoorzaamheid en een sterk moreel besef.

  • Zondebesef: Schuldgevoel over ‘foute’ daden werd via religie ingebracht.

  • Rol van de dominee of pastoor: Grote autoriteit; beïnvloedde ook het onderwijs en gezinszaken (bijv. gezinstherapie of advies bij problemen).

Sociale controle en gemeenschap
    • Het geloof was niet alleen een privézaak, maar ook een sociale structuur:

    • Mensen spraken elkaar aan op “ongepast” gedrag (bijv. op zondag winkelen of werken).

    • Afwijken van religieuze normen (bijv. samenwonen voor het huwelijk) leidde tot uitsluiting of roddel.

    • Gezag van geestelijken was groot. Hun oordeel woog zwaar bij morele kwesties.

Begin van ontkerkelijking

In de loop van de jaren 70 begon het religieuze gezinsleven te veranderen:

  1. Ontzuiling: Grenzen tussen zuilen vervaagden. Steeds meer mensen kozen zelf hun levenspad.

  2. Secularisatie: Vooral jongeren keerden zich af van kerk en traditie. Religie werd minder vanzelfsprekend.

  3. Invloed van de jeugdbeweging en hippiecultuur: Geloof werd door sommigen gezien als ouderwets en onderdrukkend.

  4. Toenemende welvaart en onderwijs: Leidden tot kritisch denken en minder afhankelijkheid van kerkelijke structuren.

Vooral in katholieke gebieden (zoals Limburg en Brabant) ging deze omslag soms schoksgewijs en leidde het tot grote veranderingen binnen gezinnen, waar kinderen zich losmaakten van de traditionele rolpatronen en geloofsopvattingen van hun ouders.

Voorbeeld: Een religieuze zondag in 1962
  • 08:00: Opstaan en nette kleding aantrekken.

  • 09:30: Gezin gaat samen naar de kerk (mis of dienst).

  • 11:00: Koffie na de kerk, soms bij familie of buren.

  • 12:00: Warm eten. Na het eten wordt de Bijbel gelezen.

  • 14:00: Rust: geen bezoek, geen spelletjes, wel religieuze lectuur.

  • 17:00: Avonddienst (in sommige protestantse gezinnen).

  • 20:00: Luisteren naar de radio, daarna vroeg naar bed.

Samenvatting

Het geloof in de jaren 60 was alomtegenwoordig en vormde een fundamenteel onderdeel van het gezinsleven. De kerk dicteerde het ritme van de week, beïnvloedde de opvoeding en hield de sociale orde in stand. Toch was deze religieuze structuur eind jaren 60 aan het afbrokkelen, met name onder jongeren, die zich afkeerden van autoriteit en vaste normen. Het begin van een seculiere samenleving was voelbaar.